Mijn tuin is mijn sportschool, mijn rusthuis én mijn therapie.
Onkruid is ook maar een plant die op de verkeerde plek staat.
Ik heb geen groene vingers, ik heb groene handen.
Een tuinier heeft nooit genoeg planten, potten of tijd.
Mijn tuin is nooit af. Gelukkig maar.
Wie zegt dat geld niet aan bomen groeit, heeft nog nooit een kwekerij bezocht.
Ik werk niet in de tuin; ik geniet met een schop in mijn hand.
De beste gesprekken beginnen vaak bij een kop koffie tussen de planten.
Tuinieren: zaaien, wieden, oogsten en ondertussen vergeten hoe laat het is.
Mijn tuin is geen rommel, het is een ecosysteem met karakter.
Tuinieren: onkruid wieden en ondertussen je eigen gedachten laten groeien.
Een dag niet in de tuin gewerkt, is een dag niet lekker vies geworden.
Slakken zijn net buren: ze komen ongevraagd eten.
In mijn tuin groeit alles vanzelf. Behalve wat ik graag wil.
Wie een courgette plant, heeft na de zomer vrienden nodig.
Je kunt niet iedereen tevreden stellen. Je bent tenslotte geen geranium.
Een volkstuin: waar een praatje soms langer duurt dan het werk.
Er zijn twee soorten tuiniers: zij die onkruid hebben en zij die liegen.
Op de volkstuin weet iedereen alles. Soms zelfs voordat het gebeurd is!
Sommige mensen kweken bloemen. Anderen kweken discussies.